 |
 |
 |
| |
Wie ben ik ?
Religie
|
13 December 2006 | 22:04:50
Geboren in Delfzijl uit Gereformeerde ouders, begon ik in 1959 aan mijn eerste loopbaan,
namelijk die van Radio-Officier ter Koopvaardij.
Omdat ik in 1969 in het huwelijk was getreden met een Australische, verwisselde ik in 1970 het zilte nat voor een landrottenbestaan als vertegenwoordiger voor een meelfabriek in Sydney (Australië).
Mijn verkoopcijfers waren een mini-ramp. Om het bedrijf voor een totale ondergang te behoeden, deed ik in 1971 toelatingsexamen voor toelating tot een PABO
(TCAE College.)
Als gevolg van deze drieste daad stond ik begin 1975 zomaar voor schoolklassen vol met rumoerige teeners.
Het jaar 1978 besteedde ik aan verdere studie en behaalde het "Graduate Diploma of Special Education" en vond hiermee een bestaan aan de ruige Westkust van Tasmanië.
In 1979 werd de scheiding van kracht.
De hoofdmoot van het hiernavolgende verhaal vond plaats in Wayatinah, een dorpje aan de rand van de Zuidwest wildernis van dit Australische eiland. (2½ maal groter dan NL met ongeveer 450,000 inwonners).
Alle bewoners van deze plaats waren werknemers in dienst van de HEC (Hydro Electric Commission), een bedrijf dat alle electrische energie productie en distributie voor het gehele eiland verzorgde. Deze energie werd opgewekt met behulp van "Witte Steenkool" en dus lag het dorp hoog in de bergen, aan de rand van een prachtig stuwmeer en slechts een kilometer verwijderd van een moderne krachtcentrale.
Ik was hier hoofd van de plaatselijke basisschool van 1982 t/m 1985.
De reden dat ik dit in Wayatinah gebeurde verhaal nu op een website wil publiceren is:
1. Jezus groot maken en God verheerlijken.
2. Iedereen waarschuwen dat geesten en demonen werkelijk bestaan.
3. Dat men heel gemakkelijk en onwetend in de val kan worden gelokt door deze instrumenten van de vader van leugen en bedrog.
4. Dat er bij Jezus Christus - en alleen bij Hem - altijd redding uit de diepste en donkerste put mogelijk is; vraag Hem heel eenvoudig om de Leidsman in jouw leven te worden.
In 1989 keerde ik terug naar Nederland waar ik in het huwelijk trad met mijn huidige echtgenote.
- - - - - - - - - - - - - - - - - -
 |
Geestenbestaan 1
Religie
|
06 Februari 2007 | 23:14:05
In 1962 moest ik voor een jaar naar het buitenland. Enkele avonden voor het afscheid naar New Orleans (USA) vroeg mijn vader - een man die ongeveer continu behept was met het ouderlingschap van de plaatselijke Gereformeerde Kerk en hoofd was van een School met de Bijbel - of ik nog wel geloofde. Het was niet mijn bedoeling om de man te kwetsen - we konden de laatste jaren prima met elkaar overweg - en dus aarzelde ik. Het antwoord moet nogal abrupt geklonken hebben, zoiets van: “Ik geloof niet meer in God. . . ! Voor mij geeft dat niet, maar u en moeder denken natuurlijk dat ik naar de hel ga . . . !”
Tot mijn verbazing had hij een soort glimlachje om z’n mond en ontkende overduidelijk dit hele idee van naar de hel gaan.
“Die niet in God gelooft gaat, volgens de Gereformeerden althans, toch gegarandeerd naar de hel ?” vroeg ik nog eens om toch maar absoluut zeker te zijn dat hij begreep wat ik bedoelde. Ik wist voor 100% zeker dat hij de z.g. “Al
Verzoeningsleer” hartgrondig verwierp. Zijn antwoord was helemaal niet op Gereformeerde leest geschoeid en verbijsterde mij bovenmate: “De God die jouw moeder en ik aanbidden is een verhoorder van gebeden en samen bidden wij iedere dag voor jou; niet alleen voor je lichamelijke veiligheid, maar bovenal voor je geestelijk behoud.” Hier had ik niet van terug.
Een paar dagen later zat ik in een DC-8 van de KLM. Mijn vader heb ik niet meer levend teruggezien, want toen ik in 1963 in Nederland terugkeerde was zijn begrafenis al drie weken achter de rug.
Ongeveer twintig jaar later was ik, ondanks mijn succes en voorspoed in het materiële, behoorlijk eenzaam. Dit werd vooral veroorzaakt door het, ook toen al gebruikelijke patroon, van een kapot huwelijk, een verbroken relatie, een onregelmatig leven enz.
Hoewel ik best een deugdelijk woordje over gelovige dingen kon zeggen, had ik mijzelf steeds verder van alle vormen van geloof vervreemd. En wel in de meest letterlijk zin van het woord.
Aan een God die je leven alsmaar met onplezierige dingen belast en die je bovendien steeds confronteert met het naargeestige begrip van "zonde," had ik totaal geen behoefte.
Een God, die nooit eens wat tegen jou persoonlijk zei en alleen maar communiceerde via een oubollig boek en een stelletje dominees of ouderlingen, had mij weinig te bieden.
Hoewel ik bij buitenstaanders soms misschien als een Vrolijke Frans overkwam, vroeg ik me stiekem wel eens af: "Is dit alles wat het leven te bieden heeft? Is dit de hele inhoud van het menselijk bestaan? Het allerdiepste en meest verhevene wat een mens zoals ik kan bereiken? Is dit leven eigenlijk wel zo erg de moeite waard?"
Steeds meer groeide ik toe naar een onverschillige levensfilosofie van: "So What...!"
Aan zelfdoding dacht ik nooit, maar diep weggedoken in mijn bewustzijn leefde toch een steeds sterker wordende overtuiging dat het leven niets anders was dan een grote flop. Een scheet in een visnetje. Steeds zeldzamer werd de hunkering naar iets heel moois, iets ondefinieerbaars. Hoewel ik dus uitkeek en verlangde naar iets hogers, hadden mijn ervaringen en verstand me inmiddels geleerd dat zoiets in werkelijkheid helemaal niet bestond. Dit laatste scheen steeds weer bevestigd te worden, terwijl dat hele mooie, die heimwee naar een soort hemel, alsmaar verder achter een wazige horizon kwam te liggen. Totaal ongrijpbaar. . . !
In deze periode las ik vrij veel, o.a. ook van schrijvers zoals Jung, Skinner, en Freud, en verdiepte me in het Socialisme, het Communisme in allerlei vormen van Oosterse meditatie, Theosofie, Scientology, New Age enz.enz. (Min of meer onder het motto van “Je kunt maar nooit weten . . . “).
Uitgezonderd de Bijbel, "knabbelde" ik, wat de geestelijkheid betrof, met horten en stoten, aan zo’n beetje alles wat los en vast zat. Onder het motto: “misschien bestaat er toch nog wel ergens een soort hemel,” bezocht ik vrij regelmatig bepaalde lezingen en experimenteerde met enkele vormen van "Doe-het-zelf-psychologie."
Hierbij meende ik af en toe de "Sleutel tot het ware geluk" te pakken te hebben, maar steeds weer volgde er een teleurstelling, omdat dan bleek dat ook deze laatste sleutel niet paste op de deur naar die hemel. Na iedere ontgoocheling raakte ik er vaster van overtuigd dat zo'n geestelijk "Utopia" inderdaad niet bestond.
Ondertussen leerde ik van mijn boeken en van het luisteren naar al diegenen die beweerden het ware geluk reeds gevonden te hebben, dat:
- Het geheim van het "Hogere Leven" ligt besloten in je eigen IK.
Je “IK” is verbonden met en in “De Bron,” “Het Licht,” “De Aarde,” “Het Universum.” (Om zo maar even een paar kreten te noemen.) Met dit alles kun je via meditatie in verbinding komen te staan.
- Om je dat "Hogere" eigen te kunnen maken, moet je eerst in contact komen met de aarde en daarna je eigen ziel. Dat is een proces. Zodra je je eigen identiteit hebt gevonden, zul je leren van hen die je voor zijn
gegaan, hoe je je zelf in dit proces op een steeds hoger niveau kunt brengen.
- Van de Oosterse religies en de New Age begreep ik dat je op den duur zelfs gelijk aan God zelf zou kunnen worden. Maar dan wel na vele reïncarnaties.
Het viel me toen al op dat dit alles heel erg "EGO-gericht" was. Maar dat was immers ook de bedoeling. Daar ging het mij immers om. Ja toch?
Dus leek me dit allemaal best wel de moeite waard want ikzelf was ook "EGO-gericht." Helaas, in het bereiken van echt tastbare resultaten zat maar bitter weinig schot. Die mooie dingen uit al die boeken werden voelbaar noch zichtbaar in mijn dagelijks leven.
Nou ja, ik had tijdens het lezen best wel eens heel eventjes een verheven soort gevoel, maar ondanks alle prachtige dingen die anderen bezaten of met bezig waren te bemachtigen, bleef voor mij alles bij het oude. Die serene vrede uit Oosterse meditaties scheen voor mij niet weggelegd. Misschien stelde ik mijn eisen te hoog?
Geestenbestaan2
Religie
|
06 Februari 2007 | 23:14:01
Verwachtte ik teveel ineens?
Totdat ik, via een kennis, een uitnodiging kreeg tot het bijwonen van een bijeenkomst van een groepje dat zich bezig hield met het voor mij volkomen onbekende terrein van spiritisme.
Zoals het een rechtgeaarde "Nuchtere Noordeling" betaamt, had ik tot dusver alle paranormale aangelegenheden met een flinke dosis wantrouwen en scepticisme bekeken.
Ik geloofde immers niet in spoken of in de waandenkbeelden van een stelletje fantasten. Ik nam de invitatie dan ook meer aan vanwege de interessante lui die bij dat groepje hoorden, dan met het oog op een in mij aanwezige belangstelling of nieuwsgierigheid in spiritistische zaken.
En hier nu lag het begin van een zeer opmerkelijke geestelijke reis, ver over de grenzen van onze oude vertrouwde zichtbare wereld.
Bij deze groep vond ik namelijk iets heel nieuws.
Een luisterend oor, hulp om de diepere zin van het menselijk bestaan te ontdekken, de drang om anderen te helpen en om de kwaliteit van
mijn leven te verbeteren...!
Men was druk bezig met concrete dingen en bekeek alles vanuit een veel praktischer oogpunt. Men begreep mij, vond ik, en dus werd ik al gauw een vaste bezoeker.
Ik begon deze nieuwe “hobby” met het leren lezen van aura's en het interpreteren ervan.
Dit was allemaal best wel interessant, maar ik voelde dat er nog iets beters moest zijn.
In de Astrologie, Tarotkaarten, Ouija-borden enz. - hoewel ook hierbij verbazingwekkende dingen gebeurden - vond ik het in ieder geval niet helemaal.
Het waren de seances waarnaar mijn werkelijke belangstelling uitging. (Misschien ook wel omdat daarmee een beetje geheimzinnig werd omgesprongen). Maar tot het bijwonen hiervan werd ik de eerste tijd niet uitgenodigd. Men vermeed zelfs geloof
ik om met mij over dit onderwerp te praten.
Na een poos slaagde ik er echter in ook hierbij aanwezig te mogen zijn. Gedurende deze seances werd er - via een medium die in een soort trance geraakte - contact gezocht met de geest van een overledene om boodschappen uit te wisselen.
Dit contact kwam niet altijd direct tot stand omdat het wel eens gebeurde dat er storende invloeden aanwezig waren. Ik herinner me nog dat een poes eens zo'n hinderlijke ongenode gast was. Ook was ik dit zelf eens, vermoedelijk omdat ik een half uur eerder het woord “Jezus” had gebruikt.
De "dit-is-je-reinste-flauwe-kul" gedachte maakte geleidelijk aan plaats voor een diepe overtuiging van "Dit is wat ik nodig heb...! Dit is waar. Dit is werkelijkheid."
De bewijzen stapelden zich op.
(Zie ook: "Proof of Spirit" op blz. 8)
Ook nu nog dring ik er - desgevraagd - bij Christenen heel sterk op aan het spiritisme en occultisme als een serieus-gevaarlijk iets te beschouwen. We hebben hier niet te maken met dwaze fantasieën, spoken, zelfbedrog, grapjes, spelletjes of trucjes, maar met de weerzinwekkende werkelijkheid van demonen en hun leugens. Een werkelijkheid die mensen op een afschuwelijke manier misleidt en de dood in jaagt; Soms krijg ik dan van mede-gelovigen ten antwoord dat ik hiermee satan te veel eer en aandacht geef.
Waarschuwt echter de Bijbel Zelf
ons ook niet dat de grote strijd gestreden wordt in het onzichtbare, in de hemelse gewesten?
(Ephesiërs 6:10-20.).
Praten over de vunzige praktijken van je vijand heeft niets te maken met hem eer te geven.
Niet met onderschatting of het negeren van het bestaan van satanische dienstknechten in de onzichtbare wereld, maar met het aandoen van de wapenrusting
(waarvan dit hoofdstuk in Ephesiërs spreekt)
zal de Christen de strijd tegen de duivel,
tegen spiritisme en occultisme, kunnen winnen.
Soms gaf een geest een boodschap door die in feite voor iedereen bestemd kon zijn, voor de mensheid in het algemeen. Maar vaak ook werden haar/hem, door iemand uit de groep, vragen gesteld die betrekking hadden op een boodschap
voor de geest van een overledene.
(Vaak die van een bloedverwant of intieme vriend.)
Andersom - dus een boodschap van de geest van een gestorvene aan iemand die nog in het lichaam leeft - kwam ook veel voor.
Ook gebeurde het dat een bepaalde geest bemiddelde om de communicatie tussen andere geesten tot stand te brengen.
Verder werden er op gezette tijden
"Rescue-Seances" gehouden.
Geleidelijk kreeg ik, zonder te beseffen dat ik onderricht ontving en geïndoctrineerd werd, inzicht in hoe de geestenwereld en het voortbestaan na de dood er uit zouden zien. Deze boze geesten/demonen waren in staat je lyrische beschrijvingen voor te schotelen over het hiernamaals. Over hoe je ego steeds hoger en hoger – tot in de zevende hemel - kon stijgen.
Als op de vleugels van een arend.
Dit werd inderdaad prachtig mooi voorgesteld, zelfs met verwijzingen naar de Bijbel, en je begon naar die uiteindelijke (nu nog ver weg) bestemming te verlangen. Het kweekte een steeds grotere verknochtheid aan die geestelijke verleiders. Ja, je zou zo naar dat geweldige Utopia toe willen en de rotzooi hier
op de gewone aarde achter je laten.
Hoewel ik een mens ben die graag een antwoord krijgt op het "Hoe...?" en het "Waarom...?" slikte ik in dit geval alles wat mij over het voortbestaan in de eeuwigheid werd voorgeschoteld, als zoete koek.
Dus vormde het leven na de dood
de vervulling van je diepste verlangen.
Wel moest er hard aan gewerkt worden; doen wat je uit het contact met de geestenwereld leerde en alle voorgeschreven processen ondergaan met een allerte geest en incarneringen.
Dan zou alles alsmaar beter worden, totdat je - ergens in het verre verschiet - zelfs aan God gelijk zou zijn. Want Hij, de Bron en het Licht (Het woord "God" was eigenlijk uit de tijd want het kon verwarring scheppen met het oog op de verfoeide Christelijke vooroordelen uit het verleden), had de mens immers naar Zijn evenbeeld geschapen.Ik zag dat toen zelf niet, maar het is tekenend voor de sluwheid van satan dat hij, althans in de sfeer van spiritisme en occultisme, veel gebruik probeert te maken van hetgeen God in Zijn Bijbel zegt en vooral natuurlijk van het "Gelijk worden aan God."
God’s heilige Schrift geeft veel voorbeelden van de fluisteringen van satan waarin hij de mens verleidt met het (waan)idee dat hij gelijk aan God kan worden.
Ik begreep toen nog niet dat deze "mooie en op Bijbelse leest geschoeide hemel," dit alternatief op het Christelijk geloof, niets meer was
dan de creatie van een fantasierijke satan,
met maar één doel:
“De mens een dood in te jagen die hem voor eeuwig zou scheiden van de Liefde van de enige waarachtige God, de Schepper van Hemel en aarde; en ook de mens . . . !”
Eén lid, waar ik goed bevriend mee was geworden, beweerde te kunnen communiceren door middel van, wat zij noemde, "Automatisch Schrijven."
Ik had geen flauw benul wat dit was,
maar was wel nieuwsgierig.
Op een dag liet zij mij zien hoe dat in z'n werk ging en ik vond het best wel een aardige bezigheid, een interessante variatie op het ouderwetse kaartspel of kinderlijk gerommel met glazen; in ieder geval was mijn nieuwsgierigheid genoeg geprikkeld om het thuis eens uit te proberen. Eerst kwam er niets beters dan wat kromme lijnen op het papier, maar na een poosje - tot mijn stomme verbazing - ging het beter en merkte ik steeds meer dat noch mijn eigen wil of intelligentie, noch mijn spieren deel hadden aan wat er op het papier verscheen. Een vreemde gewaarwording.
Zonder aangestuurd te worden door mijzelf, bewoog mijn hand (met daarin een pen) zich aanvankelijk
her en der over
het papier, maar na verloop van tijd zag ik uit het gekrabbel vaste patronen ontstaan en nog weer later kon ik in die patronen ook enkele letters ontwaren.Daarna ging het steeds beter en vlugger en ontdekte ik rijen letters; letters die samen woorden vormden en woorden die zich aanéén regen tot zinnen. Zinnen die samensmolten tot een boodschap.
Regelmatig werden er op onze bijeenkomsten sprekers uitgenodigd. Met één van hen, een man die zich vooral bezig hield met paranormale genezingen,
raakte ik in gesprek.
Hij "zag" in mij bepaalde bovennatuurlijke gaven; gaven die een zegen voor de mensen in mijn omgeving zouden kunnen worden. Tenminste, als ik genegen was mij geheel belangeloos voor anderen in te zetten en intensief zou willen werken aan de verdere ontwikkeling van deze, reeds latent in mij aanwezige gaven. Mij zou de weg worden gewezen naar nog veel grotere gaven.
Nou, dat wilde ik best.
(Ik begreep toen niet dat mijn enthousiasme geheel gebaseerd was op mijn ijdelheid in plaats van op passie voor mijn naaste of de mensheid in het algemeen).
Inmiddels was mijn bedrevenheid in het schriftelijk communiceren boven het niveau van die groepsgenoot, waarvan ik de kunst had afgekeken, uitgestegen.
Natuurlijk dacht ik in eerste instantie dat mijn eigen fantasie een loopje met mij nam, of dat ik leed aan een bepaalde vorm van zelf-hypnose. Toch moest ik uiteindelijk erkennen dat de zinnen die mijn hand op het papier schreef, geheel buiten mijn eigen wil
tot stand waren gekomen.
Want ik las dingen die ik niet kon weten, en er kwamen onderwerpen ter sprake waarin ik mij nog nooit had verdiept. Wat mij echter nog het meest van de echtheid van dit alles overtuigde, was de kennis en inzicht van mijn eigen diepste denken, mijn doen en laten,
Ook de kritiek, en soms zelfs berispingen, omtrent de dingen die in mijn meest innerlijke wezen leefden, konden onmogelijk uit mijzelf voortkomen
Deze kritiek en dat inzicht logen er echt niet om, maar berustten toch voor 100% op waarheid zoals die in mijn binnenste leefde. Zo leerde ik veel omtrent mijzelf.
En nu de ham-vraag...! Als ik zelf dan niet de auteur van het geschrevene was, wie dan wel...? WIE ???
Door te luisteren naar de leden van de club en die “stemmen uit het graf,” raakte ik er langzamerhand van overtuigd dat het inderdaad de geesten van overledenen waren die dit "Automatisch Schrijven" wilden gebruiken om met mij te communiceren. Wat een eer . . !
En machtig interessant. Zo leerde ik, gebruik makend van dit "Schrijven," te communiceren met (naar wat ik dacht) de geesten van mensen die gestorven zijn. Eerst waren er meerdere van deze "overledenen" die er naar verlangden met mij in contact te treden. De reden waarom zij mij benaderden was meestal obscuur, en in veel gevallen diende het slechts hun eigen doel.
Geestenbestaan 3
Religie
|
06 Februari 2007 | 23:13:54
Na verloop van tijd leerde ik echter één bepaalde geest kennen die intelligenter en wijzer dan de rest leek te zijn, en die zich op een veel persoonlijker manier tot mij richtte. Hij legde dan ook uit dat de mensen-geest na het afsterven van het lichaam, zich in een gebied bevindt dat uit zeven niveaus bestaat. Hoe meer de geest leert, hoe hoger hij klimt.
Die eerdere geesten waren van een lager niveau dan hijzelf. Dit was Menoeng.
Hij zei in de 17e eeuw in Maleisië geleefd te hebben. In Malacca. Nu weet ik dat geesten van overledenen niet met de mensen op aarde communiceren.
Toen echter voelde ik me voor een groot raadsel staan. Wie waren die lagere geesten en wat moest ik me voorstellen van die geest die zich Menoeng noemde? Om er de Bijbel op na te lezen kwam niet eens bij me op, anders had ik duidelijk geweten dat ik hier te maken had met trawanten (demonen) van de satan, de vader der leugen; bedriegers die zich camoufleerden met iets menselijks. Als ze niet een dergelijke vermomming toepasten zou hier op aarde geen sterveling met hen te maken willen hebben.
Wie zou - behalve satanisten - met demonen willen communiceren? Stel je voor dat we ineens te horen zouden krijgen: "Ik ben een boze geest, een demon, je moet doen wat ik zeg...!" Satan weet dat de meeste mensen dit niet zouden pikken en zijn knecht
direct weg zouden sturen.
Menoeng begon met me heel trouwhartig te vertellen dat mensen voorzichtig te werk moesten gaan bij het aanvaarden van een leidsman uit het rijk van de geesten. En met name als het ging om geesten
van die lagere niveaus.
"Er verkeren op het allerlaagste niveau ook boze geesten," zo zei hij, "die niets anders beogen dan de volledige dominantie en uiteindelijk de totale vernietiging van hun slachtoffer.
(Pas veel later werd me duidelijk dat het hier ging om een perfect gelijkend “Zelfportret” ).
Maar met hem - Menoeng - hoefde ik hiervoor natuurlijk niet te vrezen, want op het hoge niveau waar hij zich bevond leefde er bij de daar aanwezige geesten slechts één onbaatzuchtige wens, n.l. om anderen steeds dichter tot God te doen naderen.
En inderdaad, zijn ideeën over God, ( "Het Licht" of "De Bron"), spraken mij veel meer aan dan wat ik in mijn jeugd over Hem had geleerd of, in meer recente tijden, van Christenen had gehoord. Hij had het steeds over de Liefde van God en Zijn oneindige goedheid, en dat het daarom logisch was dat geen mens verloren kon gaan. De mens zou op den duur (bij de een duurde alles wat langer dan bij de ander) net zoveel Liefde en Goedheid bezitten als God zelf. De beste manier om deze Goddelijke staat te bereiken was om van geesten op hoge niveaus te leren om goed voor anderen te zijn en om je alle kenmerken van goddelijkheid eigen te maken en in praktijk te brengen.
Zo zou hij - als ik dat wilde - mij persoonlijk begeleiden om, geheel onbaatzuchtig, een instrument tot lichamelijke en geestelijke genezing van mijn medemensen te worden. Ik zou daardoor dan ook sneller opklimmen naar dat hoogste niveau.
Tekenend is wel dat Menoeng heel vaak verwees naar gedeelten uit de Bijbel, maar ik nam maar zelden de moeite die passages op te zoeken of in context te brengen en accepteerde daarmee klakkeloos alle verdraaiingen en misinterpretaties.
Jezus werd nooit genoemd.
Net als iedere zichzelf respecterende geest zal doen, leverde ook Menoeng het voor mij overtuigende “bewijs” ("Proof of Spirit") dat hij werkelijk bestond en de waarheid sprak. Door middel van één bewijs raak je er (ten onrechte) van overtuigd dat alles wat die geest in de toekomst verder nog doet of zegt, eveneens absoluut WAAR zal zijn. Dus met dit ene onomstotelijke z.g. bewijs, komt het slachtoffer er toe om alles van die geest voetstoots als waarheid aan te nemen. Dit resulteert onvermijdelijk in VOLGZAAMHEID en gehoorzaamheid aan de betreffende geest en gaat hij of zij steeds ergere leugens als waarheid accepteren en zien. Dus in feite accepteren uit de hand van satan, want hij is het immers die de
vader der leugen wordt genoemd.
Het is zelfs zo dat in de geestenwereld achteloos waarheden worden gebruikt om de grofste leugens te verkondigen en aannemelijk te maken.
Het volgende mag tot voorbeeld dienen van zo’n vuile demonen-truc.
Stel ik zet drie zaterdagen achtereen, betreffende mijn medemens Klaas Lagerwal, die nog nooit een druppel alcohol heeft gedronken, de volgende korte advertentie in de plaatselijke krant:
"Klaas Lagerwal vandaag broodnuchter op het marktplein aangetroffen."
Vervolgens herhaal ik dit berichtje de volgende en de daaropvolgende week.
De kans is groot dat velen nu rondlopen met het idee dat Klaas een onverbeterlijke zuiplap is. Toch wordt in zo'n advertentie de absolute waarheid gesproken, maar het gevolg is wel dat een grove leugen zich heeft genesteld in de gedachten van velen.
Gebruikmakend van vleierij, werkten Menoeng’s trucjes bij mij perfect
Mijn ijdelheid werd zeer gestreeld door bepaalde gaven die mij door hem werden toebedeeld.
Hij zelf werd mijn leermeester.
Hij ging aanvankelijk zeer zacht, en althans naar mijn gewillige mening, wijs, verstandig en zorgzaam met mij om en ik was er al spoedig van overtuigd dat hij maar één doel voor ogen had; mijn welzijn!
Ik ging gezonder leven, stopte met roken, werd gelukkiger en vrolijker en begon echt plezier in mijn dagelijks werk en in het leven in het algemeen te krijgen. Totdat...!
Op een avond stelde Menoeng enkele vragen,
zo in de trant van:
- Zie je wel hoe de kwaliteit van je leven
enorm is verbeterd...?
- Heb je wel gemerkt hoeveel kracht er in je was toen je zomaar kon stoppen met roken...? (Mijn eerdere pogingen waren op niets uitgelopen).
- Zie je wel dat ik degene ben die jou in staat heeft gesteld je medemensen te helpen op hun weg door het aardse leven...?
- Ik ben van plan dit, vooral het laatste, nog veel verder te ontwikkelen. Wil je dat...?
Deze vragen kon ik van harte met "Ja" beantwoorden.
Mijn ijdelheid nog eens extra strelend, verzekerde deze Menoeng mij dat ik - met hem als mijn leermeester - inmiddels geestelijk zover gegroeid was dat ik geschikt geacht werd om deze laatste vraag in vervulling te doen gaan, en wel op een manier die mijn stoutste dromen ver zouden overtreffen.
Het was zijn belangeloze wens mij zodanig, en veel intensiever dan tot dusver, te begeleiden dat mijn geest, direct na mijn dood, naar een heel hoog niveau in de hemel zou gaan. Daarna zou het dan ook niet eens zo lang meer duren dat ik gelijk aan God zelf zou zijn.
Wel moest ik eerst nog even aan één belangrijke voorwaarde voldoen.
Hoewel ik enkele dagen voor deze gebeurtenis, op een verjaardagsfeestje, nog met klem had beweerd dat ik niet in Jezus geloofde, bracht de eis die Menoeng toen stelde mij geweldig in paniek.
Hij eiste dat ik - woord voor woord en hardop - zou verklaren: “Jezus is dood. . . !”
Dit bracht een ongekend tumult in mijn binnenste teweeg. Waarom paniek? Ik geloofde toch niet in Jezus? Ook vond ik het vreemd en beangstigend dat de zachte persoonlijkheid van mijn “trouwe raadsman” van weleer zo plotseling veranderde in een dwangmatige en dominante geest. Het idee “Jezus” was nog nooit eerder ter sprake gekomen.
Met mijn verstand classificeerde ik dit angstgevoel als een dom overblijfsel van vroeger en – eveneens met mijn verstand - zag ik ook geen reden waarom ik hem dit niet gauw even na zou zeggen.
Gevoelsmatig echter bleef een soort
Megapaniek aan mij vreten.
Waarom zou ik zo'n weerzin tegen deze voorwaarde moeten voelen?
Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, waren het mijn opvoeding en de gelovige gebeden van mijn ouders, die wel aan mij maar niet aan God
voorbij waren gegaan.
Menoeng drong, eerst nog wel redelijk en zachtmoedig, steeds meer en dwingender aan om die uitspraak te doen. Doch de onrust bleef en ik
wilde hem niet nazeggen.
Langzamerhand begon ik te beseffen dat ik hier niet te maken had met een fijnbesnaard bovenaards wezen, maar met een zeer kwalijke geest, één die zich bij mij had binnengedrongen met behulp van mijn ijdelheid en vunzig bedrog (Hoewel handig gecamoufleerd door een paar waarheden).
Ook herkende ik bij mijzelf een gevoel van schaamte dat ik mij zo gemakkelijk en volgzaam had laten inpalmen door het aanhoudelijk gestreel - door die Menoeng - van mijn eigen ego.
Ik weigerde vierkant, begon weer te roken als een ketter, stopte acuut met dat geschrijf en verbrandde alles wat er ooit geschreven was over- of wat ook maar even riekte naar spiritisme en aanverwante zaken. Want ik had - door schade en schande - mijn les terdege geleerd en het was dan ook met grote vastberadenheid (En toch ook wel met iets van opluchting) dat ik deze episode compleet en definitief achter mij afsloot. Zoiets nooit weer. Mijn hele leven niet.
“Zie zo, dat was dat.”
Definitief finito...! Punt...! Uit...!
Van mijn kant was het dus over en uit….!
Menoeng echter accepteerde noch mijn weigering, noch de abrupte beëindiging van mijn toewijding aan hem.
Geestenbestaan 4
Religie
|
06 Februari 2007 | 23:13:50
Toen ik hem leerde kennen gebruikte hij aanvankelijk slechts dit "Schrijven" als communicatiemiddel. Het contact werd altijd gelegd op mijn eigen initiatief (dacht ik), omdat ik dan zelf het "Goede" moment kon kiezen. (Ik vermeed het bijzijn van anderen). Ook een bepaalde sfeer met kaarsjes of lampjes, een gewijde stilte, of een serene houding had ik altijd eerder gemeden dan gezocht. Nu nog des te meer.
Toen de relatie fout liep, bleek dat zoiets niets uit maakte, want Menoeng had geen "home-made" sfeertje nodig om te kunnen communiceren. Ook pen en papier kon hij best zonder. Dat was alleen maar franje dat hem diende om zich in te dringen in de geest van een mens.
Hoewel ik dacht dat ik degene was die de relatie leidde, bleek duidelijk het tegendeel toen het "schrijven" werd vervangen door de "stem" van Menoeng.
Binnenin mijn eigen hoofd nog wel.
Steeds vaker hoorde ik hem...!
Steeds intensiever en indringender...!
Op de gekste momenten drong hij bij mij binnen om zijn dreigementen over mij uit te storten. Later ook zijn hoongelach, want hij wist drommels goed dat ik vroeg of laat onherroepelijk voor de bijl zou gaan. Het "Hoe" en "Waarom" kon ik niet beredeneren, maar in mij groeide het besef dat toegeven aan de eis van Menoeng mijn definitieve ondergang zou betekenen en dat mijn leven in een hel zou veranderen.
Een echte hel, nu al, hier op deze aarde.
Het angstzweet breekt mij nog uit als ik er aan terug denk aan mijn onmacht om uit die
wurgende greep te ontkomen.
Op het werk liet hij mij aanvankelijk nog met rust, maar mijn privé bestaan werd steeds sterker door Menoeng beheerst. Op den duur was er helemaal geen ontkomen meer aan, want ook 's nachts vond ik geen respijt. Slapen was er bijna niet meer bij. Steeds was er die stem in mijn hoofd. “Zeg het . . . , dan heb je eindelijk rust; mij kun je niet meer ontvluchten;
jij bent nu in mijn macht.”
Die stem, die steeds honender en luider werd, beheerste mij geheel en ik leefde op den duur onder de heerschappij van de boze machten van satan.
Ik begon me te gedragen als een zombie en vaak vroegen
bekenden mij of ik ziek was, want ik zag er grauw en moe uit vanwege mijn grote zorgen
en slapeloze nachten. Vreselijk moe...!
Langzaam begon ik me te realiseren dat ik bezeten was geraakt en dringend professionele hulp nodig had. Hoe hierom te vragen wist ik niet en ik durfde het ook niet. Op een avond zei de onstopbare en
triomfantelijke stem van Menoeng:
"Ga maar lekker vroeg naar bed, want precies om drie uur morgenochtend zal ik je wekken uit een diepe slaap. Dan zul je murw genoeg zijn om de door mij verlangde verklaring af te leggen.
Dan ben je volledig in mijn macht
en is er voor jou geen weg terug."
Prompt om drie uur werd ik - ondanks mijn vermoeidheid en slaapgebrek - wakker.
Ik wist dat ik totaal aan het eind van mijn krachten was en geen weerstand meer kon bieden.
En ook al had ik dat toen nog gekund, dan was het alleen maar een kwestie van tijd.
Uitstel van executie. Nog half versuft en min of meer gelaten knipte ik het nachtlampje aan en ging op de rand van het bed zitten.
De stem, nu vol spot en hoon, was er al.
Koud en verloren zag ik neer op mijzelf, beseffend dat ik nu aan de poorten van de hel stond; de echte hel met het echte geween en het echte tandengeknars. Een hel van demonische kwellingen waaruit geen terugkeer meer mogelijk was. Diezelfde hel waarvan ik tegenover mijn vader eens het bestaan had ontkend.
Ik zag dat deze keer de duivel de waarheid sprak, n.l. dat ik niet bij machte was mijn intrede in de afgrond - aan de hand van demon Menoeng - te keren of te voorkomen.
Ja, erger nog dan het heetste hellevuur, was het zeker weten dat de schuld alleen bij mij zelf lag en dat mijn leven zo anders, zoveel mooier had kunnen zijn.
Geestenbestaan5
Religie
|
06 Februari 2007 | 23:13:37
In deze kille verlatenheid was er niemand die mij kon bijstaan.
Behalve Hij, wiens bestaan (en vooral wiens reddend werk) ik altijd zo nadrukkelijk had ontkend;
Heel vaag ontwaarde ik - in het schemerlicht aan het voeteneind van mijn bed - iets vreemds. De troostende aanwezigheid van iets dat leek op een opgeheven hand; een hand die het gordijn van eenzaamheid, angst en wanhoop wegschoof; een hand die mij wilde helpen; een doorboorde hand. . !
Het leek een onmogelijke hallucinatie, maar dit kon niets anders dan de hand zijn van die Jezus van Nazareth die ik loochende; in wie ik niet geloofde.
Het twee eeuwen oude verhaal van het Kruis kwam hier, in mijn eigen slaapkamer, tot leven. Wat ik al zo lang als een vroom fabeltje had beschouwd, werd werkelijkheid. Jezus, God’s Zoon, was dus echt springlevend.
Gezien mijn ongeloof, kwam het op dat moment niet bij mij op dat Hij er was om mij uit mijn ellende te redden, laat staan om mij te vergeven. Misschien was dit wel het begin van Zijn eindoordeel over mijn vastgelopen leven.
De doodse kilte in mij maakte plaats voor een troostende warmte; een wonderlijk weten. Een nieuwe gewaarwording, dat door die hand de dwingende stem en het hoongelach van Menoeng tot zwijgen was gebracht. Voor het eerst sinds maanden was ik even vrij van diens alles overheersende aanwezigheid.
Zodra de hand vervaagde was de stem van mijn kwelgeest er weer. Eerst zacht en op de achtergrond, maar even later weer als een allesdoordringende tegenwoordigheid van vunzigheid.
Maar dan haalde ik die reddende hand weer naar voren in mijn bewustzijn, en terstond was er weer vrede in mij en om mij heen en zweeg de stem
van de geestelijke beul.
Dit herhaalde zich over en over. Met die Hand stond ik op, deed ik mijn werk en beleefde ik heerlijke nachtrusten. Steeds was er die troostvolle en beschermende Hand die over mij waakte.
Langzaam groeide ik dichter naar die Hand, Jezus, toe en ging ik steeds meer van Hem houden. Maar ook drong zich steeds sterker de gedachte aan mij op dat ik iets moest doen; dat ik nog geen eindpunt had bereikt, maar slechts aan het begin stond van een nieuw leven.
Hoewel die Hand een onafscheidelijk deel van mijn leven was geworden, en ik me er steeds meer aan vast klemde, kende ik de eigenaar ervan nauwelijks. Die was - zo herinnerde ik mij - toch lang geleden, op een wolk ten hemel gevaren en zat nu aan de rechterhand van God...? Ik zou Hem toch pas na mijn dood ontmoeten; in de Hemel...? Maar Zijn hand was er nu...!
Ik las de Bijbel en ergens in mijn denken, en door die niet aflatende aanwezigheid van die hand, ontstond de gedachte dat Jezus mij niet uit mijn ellende had gehaald om dan weer te verdwijnen, maar dat Hij dagelijks in mij aanwezig wilde zijn. Misschien een soort relatie met mij wilde aangaan. Maar daar had ik erg veel moeite mee omdat dat dan erg veel zou lijken op die paranormale relatie die ik met Menoeng had gehad. Even dacht ik zelfs dat dit onmogelijke idee van een relatie met Jezus een laatste godlasterende
poging van Menoeng was om mij weer in te palmen. Maar door het lezen van De Bijbel kwam ik langzamerhand achter de geweldige waarheid:
Jezus, de Zoon van God, wilde inderdaad een relatie met mij aangaan.
In feite wist ik niet of ik, als gevolg van deze ervaringen, nu een soort Christen was geworden of niet. De weg om dichter tot Hem te naderen werd - zoals ik nu besef - mede geblokkeerd door een vooroordeel, een tegenzin om weer twee keer per zondag naar de kerk te moeten; om weer te leven onder de verplichtingen van bepaalde rituelen, catechisaties, dogma’s en theologie. En als Christus wel iets met me te maken wilde hebben, moest ik dan inderdaad iets doen...? Zo ja, wat dan...? Moest ik me misschien eerst bereid verklaren een kerkelijk juk te aanvaarden...? Welke dan . . ? Iedere dag kwamen er meer vragen bij.
Geestenbestaan 6
Religie
|
06 Februari 2007 | 23:13:29
Op een nazomermiddag, terwijl ik naar het zes-uur nieuws zat te kijken, bevond ik me zomaar ineens in een geheel andere wereld; in een andere tijd.
Ik zag mijzelf, midden in een woelige menigte van zwetende en krijsende mensen. Vlak voor mij, in het zand en opgewaaide stof, ontwaarde ik, gebonden op een zware balk, de benen en lendenen van een mens. Woest zwaaide ik een zware hamer boven mijn hoofd, en mijn linker hand omklemde een grote spijker. Schor schreeuwend, kromde ik mijn rug en liet mij op één knie vallen, gereed om met grof geweld de eerste klap toe te dienen; om die spijker in de voeten van die mens te drijven.
Anderen wilden mij de hamer en spijker afnemen om zelf die voeten aan het hout te nagelen, maar ik schreeuwde hen waanzinnige verwensingen toe en braakte de meest afschuwelijke taal uit. Dit kruisigen wilde ik zelf doen.
De spijker werd gericht en gretig sloeg ik toe. Daar, vlak voor mij, vloeide het Bloed van het Lam. Uit de wond die ik Hem had toegebracht.
Vol vuur duwde ik daarna de menigte opzij, gereed om mijn gruwelijk werk ook op de handen van die mens Jezus uit te
voeren. Vastgebonden en hulpeloos lag die open hand voor me, weerloos en gereed om mijn spijker te ontvangen.
Even week de schreeuwende menigte uiteen, en als door een magneet getrokken, gleed mijn haatvolle blik langs de ontblote arm naar het hoofd van mijn slachtoffer. Eerst zag ik een doornenkroon en een gelaat, maar dat beeld vloeide over in iets heel wonderlijks toen ik in Zijn ogen keek. Iets waar ik geen naam aan kon geven, maar toch herkenbaar omdat ik er onbewust al jaren naar had verlangd en naar uitgezien. In mij werd alles heel stil, de vloekende stemmen vervaagden, de zwoele wind werd een koele bries, want in die ogen van Jezus lag helder geschreven Zijn boodschap van een wonderbaarlijke liefde. Niet een abstracte liefde uitgedrukt in woorden, maar een liefde die volkomen zichtbaar en tastbaar was, een liefde die geen grenzen kende.
Uit die ogen straalde duidelijker dan woorden ooit kunnen spreken: “Vader, vergeef hem, want hij weet niet wat hij doet.”
Op dat gelaat van de mens Jezus brak mijn hart dat al zo lang van steen was geweest, want het glansde van een ongekend iets. Zijn liefde voor mij.
In Zijn ogen was een verlossend licht van mededogen, begrip en vergeving: Voor mij, die zijn bestaan had ontkend.
Voor mij, die Hem had bespuugd en gehoond. Die een doornenkroon op zijn hoofd had gedrukt en Hem aan het kruis had genageld.
Daar op Golgota keek ik Hem aan.
En Hij keek mij aan.
De ogen van Jezus...!
Over sommige dingen van dit visioen is mijn herinnering wat vaag, maar wel staat mij nog zeer scherp voor de geest hoe eenzaam en verloren Hij daar hing.
Wat helse pijnen moest Hij ondergaan door dat hangen aan mijn spijkers.
En die vreselijke doornenkroon die ik door zijn huid
had gedrukt.
Lag hierin nu de vergeving van mijn zonden? In dit vreselijk lijden naar lichaam en ziel?
Was dit nu God's Zoon?
Plotseling hoorde ik Hem roepen naar de donker geworden hemel. Zijn Stem sneed als een brandend zwaard door mijn geweten, want ik zag dat door Zijn lijden naar het lichaam voor mijn vleselijke overtredingen werd betaald, maar dat voor de kwijtschelding van mijn zonden naar de geest een nog veel groter offer voor mij werd gebracht toen Hij sprak: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten...?"
Kletsnat van tranen, keerde ik uit dit visioen terug in mijn woonkamer.
Geestenbestaan 7
Religie
|
06 Februari 2007 | 23:13:23
Het nieuws op de TV was nog niet eens afgelopen, maar in mij was het meest wonderbaarlijke weten dat ik bij en van Hem wilde zijn.
Ik wilde dat Hij ook voor mij vanaf dat kruis had geroepen: “Het is volbracht”
Dat Zijn Liefde voor Mij geen einde kende.
In mij borrelde een soort gebed op dat ging over het vragen van vergeving, het uiten van berouw, en ook over dankbaarheid en volgen. Later herkende ik hierin het “Zondaarsgebed” waarvan ik het bestaan nooit had geleerd, maar dat al was gebeden door miljoenen zondaren voor mij.
Het dorp waar ik toen als onderwijzer woonde lag erg afgelegen aan de rand van de Tasmanische Zuidwest wildernis, aan de oevers van een stuwmeer.
Buiten mij, was iedere volwassene hier in dienst bij het Staats Energie bedrijf, dat zich bezig hield met de bouw van stuwdammen en het maken van elektriciteit uit neerstortend water, gigantische turbines en reusachtige dynamo's.
Van de aanwezigheid van een plaatselijk Christelijk leven had ik - behalve het maandelijkse bezoek van een mij onbekende geestelijke die in het "Dorpshuis" een mis opdroeg - nooit iets gemerkt. Er kwam ook wel eens een Anglicaanse priester langs.
In mijn jonge jaren had ik een redelijke dosis Bijbelkennis opgelopen, maar nu was het alsof mijn lezend oog als een magneet naar mij onbekende Schriftgedeelten werd getrokken die gingen over de Heilige Geest. Termen zoals: "Wederom Geboorte," "Vervuld zijn met De Heilige Geest," “De gaven van de Geest,” "Spreken in tongen," "Profeteren," "Gebedsgenezing," enz. enz.
Toch vond ik dat het geschrevene, hoewel interessant, niet specifiek op mijn situatie was gericht. Het was allemaal prachtig zoals de Bijbelse grootheden zoals Petrus, Johannes en Paulus deze dingen ervoeren, maar had een mens in de twintigste eeuw daar ook deel aan ? In vergelijking met de relatie die andere Christenen (Vooral de populaire Christelijke auteurs) hadden met Jezus, voelde
ik mij een beetje een buitenstaander. Mijn bidden van toen leek denk ik meer op een quiz dan op aanbidding. Vragen en nog eens vragen.
De grote vraag was of en hoe God al deze vragen zou beantwoorden.
Aan de ene kant kon ik niet geloven dat Hij menselijke vragen onbeantwoord zou laten en aan de andere kant herinnerde ik mij bepaalde gezegden uit mijn jeugd: "Na dezen zult gij het verstaan...!" en "Sinds de voltooiing van de Bijbel, spreekt God niet meer direct
tot de mens."
Heel graag had ik mijn vragen met anderen gedeeld, maar ik onderhield slechts oppervlakkige banden met de weinige Christelijke mensen die ik kende. Bovendien woonden ze allemaal erg ver en als ik ze zag deed zich de gelegenheid niet voor.
Ook vond ik het moeilijk en gênant om over mijn bekering en gevoelens te praten. Ik begon alles te rationaliseren en te aarzelen. Te twijfelen dus.
Was het eigenlijk wel een bekering...?
Of zat God nog op iets anders te wachten…? Moest ik nog wat doen misschien…? Was het allemaal nep…?
Moest ik meer onderricht ontvangen voor ik mezelf een Christus-volger mocht noemen...?
Of moest ik eerst ergens belijdenis doen of gedoopt worden...? Was een gebed vol vragen wel een gebed zoals God dat bedoelde...?
Totdat ik midden in zo’n twijfel-gebed, tijdens een lange wandeling in het plaatselijke woud, een stem in mijn binnenste hoorde zeggen: "Ga weer schrijven."
Gezien mijn eerdere ervaringen met stemmen, schrok ik me wild. Daar begon dus het gedonder
met die Menoeng weer...!"
Toch liet dit me niet los en sloeg ik er de Bijbel intensief op na.
Ik las hierin dat God echt tot sommige mensen had gesproken. Op verscheidene manieren en eens zelfs door een ezel. En dat geschreven boodschappen rechtstreeks door Hem geïnspireerd werden. Maar dat was wel allemaal gigantisch lang geleden.
Zo las ik nogmaals wat er geschreven staat over De Heilige Geest van God en Zijn Genadegaven. Ik kende de uitdrukking: "Vader, Zoon en Heilige Geest" nog heel goed (Zelfs ongelovigen kennen die), maar ik ontdekte tot mijn verbazing dat de Bijbel niet doelt op zo maar even een losse uitspraak, horend bij een kerk-ritueel, maar op een daadwerkelijke Kracht van Boven. Ik leerde dat er door deze Goddelijke Kracht, in de Naam van Jezus, de meest wonderbaarlijke dingen gebeuren. Vooral de Bijbelse verhalen over bevrijding van bezetenheid en genezing naar het lichaam trokken mijn aandacht. Er ging eigenlijk een nieuwe wereld open toen ik las dat Jezus Zelf deze Geest van God aan Zijn volgelingen had beloofd en wat zij zouden gaan doen door Zijn Kracht.
De Kracht van de Heilige Geest van Waarheid.
Ook las ik over een Geestesgave waarover ik nog niets had gehoord, n.l. "De Gave van de onderscheiding
van geesten."
Na lang wikken en wegen, heel aarzelend en uitermate voorzichtig begon ik weer met dat schrijven, nu met De Heilige Geest als auteur. Met horten en stoten ging dat, want vertwijfelt vernietigde ik soms alles weer omdat ik het zaakje dan niet vertrouwde. Ik bad veel en eigenlijk was het allemaal erg moeilijk en nutteloos.
Maar toch liet het me ook niet los. Een dilemma dat zichzelf als volgt oploste:
1.
In 1 Joh. 4 staat duidelijk dat men de geesten moet beproeven dat zij uit God zijn. Teruglezend zag ik dat het recente schrijven inderdaad steeds begon en eindigde met het verheerlijken van Jezus Christus als God’s Zoon, gepaard gaande met de nadrukkelijke verklaring dat Hij de satan en de dood overwon door Zijn opstanding uit het graf.
In een boekje las ik: "Neem nooit iets voetstoots aan, controleer alles aan de hand van de Bijbel - of alles wel ter ere van God alleen is - en bespreek je vragen en dilemma’s met anderen; toets de antwoorden met andere Christenen die meer ervaring en kennis hebben dan jezelf.
1.
Uit de Bijbel leerde ik het karakter van de Heilige Geest steeds beter kennen en dus onderscheiden van Menoeng.
Zo kwam het dat de Geest van God, de Geest van Waarheid, tot mij sprak door middel van dat
“inspirationeel schrijven” dat ik had geleerd van een satansknecht.
Hoe machtig en wonderlijk dat Mijn Hemelse Vader op deze manier voorzag in de noodzakelijke kennis waarvan ik was verstoken door een tekort aan contacten met mede-Christenen. Ik leerde van de Heilige Geest dat alle Glorie en Eer toekomt aan Jezus Christus,
de Zoon van God.
In het begin gebeurde het ook wel dat het schrijven begon zonder deze op 1 Joh. 4 gebaseerde “Veiligheidsclausule,” maar ik stopte dan onmiddellijk en stelde mij onder het heilige Bloed van Jezus. Het schrijven hield dan direct op, waardoor ik wist dat Menoeng, of één van zijn soortgenoten, het nog steeds probeerde. maar geen kans kreeg.
Heel gauw kwam ik ook in contact met twee mede-Christenen die ieder een kopie ontvingen van hetgeen de Heilige Geest
schreef en steeds bleek weer dat ook zij wisten, aan de hand van de Bijbel, dat het geschrevene van God was en niet uit de wereld van satan of uit mijn eigen brein.
In onze moderne wereld wordt de Christen vaak geconfronteerd met dingen uit de Hemelse Gewesten. Steeds vaker moet hij of zij vast kunnen stellen of iets van de Heilige Geest is of uit de boze.
Ter onderscheiding een paar belangrijke punten.
1. Bedenk dat er maar drie mogelijkheden zijn. Ter onderscheiding kan iets alleen maar van God, van jezelf of van de duivel zijn.
2. Lees altijd God´s Woord er op na. Hoe meer wij van de Heilige Geest weten hoe beter wij Hem herkennen. Vergeet Eph. 6 niet. De Heilige Geest zegt nooit iets wat tegen de Bijbel indruist. Als de overeenkomst niet direct duidelijk is laat het dan rusten of bespreek het met iemand
die meer kennis heeft.
3. Vraag om de weinig genoemde gave van “Onderscheiding der geesten” (1 Cor. 12-10)
4. Pas altijd de “Veiligheidsclausule” van 1 joh. 4 toe.
5. Houdt in gedachten dat de Heilige Geest, in alles wat Hij doet of zegt, nooit aflaat Jezus, en alleen maar Jezus, te verheerlijken.
Hij zet nooit vraagtekens, in welke vorm dan ook, bij de dingen die Jezus ooit heeft gezegd of gedaan.
6. Indien mogelijk, deel alles met “ervaren” Christenen die u goed kent en waarvan u weet dat ze vergroeit zijn met hun Heer en een innige band met Hem hebben plus natuurlijk toegerust zijn met een gedegen Bijbelkennis.
7. De Heilige Geest denkt, spreekt en handelt met liefde, begrip en geduld.
Amen
- - - - - - - - - - - - - - -
2.
|
|
|
|
|